VAKANTIE IN EIGEN HUIS (1959)

dat was een wensdroom van mijn Vader. Ik herinner me levendig, hoe hij op de vroege augustus-morgen van ons vertrek (wat zag alles er overal vreemd uit op dat uur), door ons huls liep. En voor het laatst voorstelde: "Zullen we thuis blijven?" Dan stond plotseling Ant, onze trouwe dienstbode achter hem. Ze was al gelaarsd en gespoord voor de reis. Haar rieten mand stond gepakt in de vestibule. Maar ze had een blik zwarte lakverf bij zich en een stapeltje oude kranten. "Nou..." zei ze dan, "als meneer nou even opzij kon gaan... En dan alsjeblieft niemand meer hier door de deuren, dat je m'n werk niet bederft!" Zij legde voor en achter de drempel een krant, en begon te lakken. Alle drempels glommen ons na als we vertrokken.

Wat een soesah was er aan dat vertrek vooraf gegaan! De tapijten waren opgerold met kamfer, de stoelen in de zitkamer werden eveneens dik bestrooid en tenslotte toegedekt met stoflakens. De lancasters voor de ramen werden neergelaten, en Vader had eigenhandig al het zilver weggeborgen in een soort "geheime" bergplaats onderin zijn boekenkast. De hond had zich veertien dagen lang nerveus lopen maken. Mocht hij wel mee ? En al die kamferballen die Moes en Ant insloegen, waar ze tenslotte allebei naar stonken...! Meen dan niet, dat het zo achtergelaten huis eenzaam bleef staan, vier of zes weken. O nee! Elke dag kwamen behulpzame mensen kontroleren of alles goed was, en om de planten water te geven.

En op de dag van onze thuiskomst waren zij het, die in alle kamers vazen zetten met bloemen. De verkeerde vazen namen zij, en ze hadden een passie voor gladiolen. Zodra Moes durfde, veranderde zij de schikking. En pas dan waren we weer echt thuis. Na een week vergat Ant het zelfs ons op de drempels te attenderen, waar je nooit op, alleen maar overheen mocht stappen. Vader werkte zich door stapels post heen - en in de vakantie had hij toch ook niet stilgezeten! - en hij genoot van zijn studeerkamer, van zijn eigen bed, van het gasgeisertje, van ons petieterige tuintje. Hij zei weer: "Ik wou zo graag een vakantie thuis blijven. Het is toch. Nergens zo heerlijk als hier."

Kwam het door Vaders wensdroom, die nooit in vervulling ging, dat ik me innig verheugde op onze vakantie in eigen huis? Het leek me heerlijk. Ach nee, die kamferballen en die stoflakens zouden toch wel achterwege zijn gebleven. En pleet kun je wel in je laden laten liggen. Lancasters laten we niet meer neer. Wij hebben ze niet eens meer. Integendeel, wij laten ons huis er liever uitzien, alsof we thuis zijn. In de West, waar wij jaren woonden, lieten we zelfs bij voorkeur licht branden in huis! We maakten prettige plannen voor gemakkelijke maaltijden, die mij een zee van vrije tijd zouden geven, en we zeiden tegen elkaar, dat het zo Zuinig was. Want daarom bleven wij tenslotte thuis...

Je kunt echter je kinderen niet dezelfde beperkingen opleggen! Dus ging de één met een kamp naar de Veluwe, de ander verlangde slechts te logeren bij een vriendinnetje op het Groningse platteland, dat haar dierbaar is door heerlijke jeugdherinneringen. De oudste zoon ging met zijn schoolklas naar Engeland, en wij jubelden over de "voordelige" oplossing: het Engelse meisje kwam dan later een week bij ons. Alle kennissen vroegen: "Wat doen jullie van het jaar?" In het eerst antwoordde ik fier: "Wij blijven thuis." Maar ik merkte al gauw, hoe gevaarlijk dat was. Want die kennissen hadden wel vakantieplannen, maar "zaten" nog met kroost dat uitbesteed moest worden. En ze kwamen onmiddellijk met hun plan op de proppen: "Als onze Petertje dan eens een week... of tien dagen... bij jullie kan komen, hè? Je zou er ons een reuze plezier mee doen! Zie je, wij moeten er eens uit!"

En zo verwerkten wij in onze vakantie een maximum aantal logees. Het Engelse meisje, dat nooit iets deed. Dat, als ze thuis was, zo enerverend leeg kon zitten. En waarmee we treinreizen en boottochtjes maakten, waarmee de kinders op zijn hollands (duur) kermis vierden. En toen kwam Petertje, die hees was. Chronisch hees, door het vele praten en gillen. Ik moest voortdurend mijn bijval betuigen, als hij op onze piano pingelde: "In-hol-land-staat-een-huis," hij stootte verrukte kreten uit, "Ik kan het, tante Door, luister!" Dan begon hij weer. En ontspoorde. Hij was vol zorg voor zijn haren, omdat hij bezig was, een "plee-borstel" te fokken, zoals hij het noemde. Dat is geen sinekure, en ik zou het niemand aanraden. Petertje borstelde altijd (als hij niet pianospeelde), en hij had geen tijd om zijn handen of zijn gezicht te wassen.

Petertje had een hele gulden bij zich. Die eerste middag zette hij zijn geld al om in klappertjes, een schepje en twee waterpistolen. Wij gaven hem een ansicht om naar zijn Mammie te sturen, maar Peter had nog nooit een briefje geschreven, al was hij elf jaar. Hij kon het niet. Hij papte aan met alle buurkinderen, en kwam thuis met een uitnodiging voor de televisie, die uiteindelijk geen uitnodiging was. En hij praatte, praatte, praatte met dat stemmetje van schuurpapier. Hij sprak zichzelf voortdurend tegen, en de hele buurt werd hees van het gillen: "Je jokt! Gisteren zei je...!" Hij ging achteloos mee als wij pretjes voor hem verzonnen, en vond onze bustochten en de dag uit met een boot een moeilijke doorkruising van zijn plannen. Die bestonden uit:

Toen hij wegging, bleef zijn haarborstel achter. Frans was wat ouder. Zijn moeder bracht hem zelf, en gaf me veel instrukties. Tenslotte zei ze, dat ze natuurlijk alles aan mij overliet. Ze is een schat, een ideale moeder en huisvrouw. U zou vreselijk veel hebben aan stukjes van haar. Maar ze schrijft ze niet, want zij neemt haar man, kinderen en huishouding zeer serieus. U zou dus ook nooit lachen, als u haar belevenissen las. Frans zou negen dagen blijven, en hij kocht die eerste middag twaalf ansichten met postzegels. Negen voor thuis, een voor Oma, een voor het buurmeisje en een voor zijn broer. Pas nadat hij de eerste kaarten had geschreven en gepost, vertelde hij ons over zijn verzamelingen. Hij verzamelde alles, en

Hij vond veel. Als ik las, theeschonk of typte, dan stond Frans achter mij met een of andere vondst. "Tante, zou ik u iets mogen vragen? Ik heb namelijk..." Onze dochter van Frans' leeftijd baadt zich sedert mensenheugenis zelf. Zij zegt beneden goedenacht. Maar Frans moest door mij gereinigd worden, toegestopt zijn. En zijn avondgebedje moest ik met hem opzeggen. Ik was vertederd door deze lieve gewoonte. Maar man en groter kroost, die me traplopen zoveel mogelijk besparen, mopperden de derde avond: "Moet dat nou?"

Frans vond de akkommodatie van ons huis gering. Niet eens warm water in zijn slaapkamer! "Ik ben namelijk gewend..." zei hij. Hij was ook gewend iedereen in huis in welk stadium van toilet ook, in de slaapkamers te overvallen. Peter had alles gegeten, behalve aardappels. Frans at niets, behalve appelmoes. Zijn tafelgesprekken waren interessant. Hij wist veel, en doceerde grappig. Elke dag was er iets extra's, een uitgang, een bioskoop. Elke dag ging er een ansicht weg en kwam er een terug. Eens was er een grote moeilijkheid over bepaalde postzegels die aan een speciaal loket op een donderdag moesten worden gekocht. Frans ging uit ons huis weg met de woorden:"„Ik vond het wel fijn, al zijn we haast nergens naartoe geweest." Ik dacht aan zijn jampotten met zout water, vol slakken en een zeester uit Scheveningen. Aan de tocht door de Rotterdamse havens, aan 't Planetarium, en aan de bootreis om het eiland van Dordrecht. Maar ik zei: "Een ander jaar kom je maar weer!" Ik meende het. Maar het kan niet.

Wij hebben uitgerekend, dat het beslist te duur is om thuis te blijven. Een luxe, die je je echt niet permitteren kunt! En we moeten verschillende mensen teleurstellen met de mededeling: „Nee... wij gaan van 't jaar een hele maand weg." Als u echter thuis blijft, kunt u het mij rustig zeggen. Want wij nemen onze kinderen mee, en de hond gaat naar Oma.

Dora van der Meiden-Coolsma