SCHUYTEMAKER & DE BREE (1963)

Toen wij hier vijf jaar geleden kwamen wonen, had een zakenman ons beloofd: "Mijn pakhuisknecht zal jullie komen helpen en je houdt hem maar, zolang je hem nodig hebt."

De pakhuisknecht, die Hendrik heette en beslist niet anders genoemd wenste te worden, noch door ons, noch door de kinderen, bleek een onbetaalbare hulp. Hij hielp de verhuizers, die onmiddellijk op goede voet met hem stonden, hij legde vloerbedekking en hing gordijnen op, hij beloofde boekenrekken te timmeren in de serre, hij had toevallig oude sleutels die op laden pasten, waar we nooit sleutels op gehad hadden, hij wist alles van elektriciteit en loodgieters aangelegenheden. Tijdens de koffie vertelde hij, hoe hij thuis bezig was een sprei te borduren. Maar toen uit de verhuizing een kooitje tevoorschijn kwam met een parkietje, toen werd Hendrik helemaal lyrisch, want vogeltjes waren zijn liefhebberij... We vertelden hem, hoe we de parkiet hadden gevonden en Hendrik beloofde: "Ik zal een volière maken in de tuin, ginds in het hoekje," waarvoor hij zonder enig gewetensbezwaar meteen een jonge prunus afzaagde die daar een vrij zielig bestaan stond te lijden. Waar Hendrik de plankjes vandaan haalde, weet ik niet precies, maar de elektricien en de loodgieter riepen die middag tevergeefs om zijn assistentie. Hendrik timmerde in de tuin en toen de kinderen uit school kwamen waren we weliswaar binnen niet zo geweldig opgeschoten, maar buiten stond de volière praktisch gereed. "En nou moet jij voor me naar Schuytemaker en de Bree," zei Hendrik tegen onze oudste zoon, "om mossengaas te halen. Dan maak ik het deurtje ervoor en dan kan die parkiet er temee in. En ik zal kijken of ik niet een vrouwtje voor 'm kan vinden, ik heb allemaal kennissen in de vogels zitten, dat gaat zo."

Het was een moeilijkheid, dat wij Schuytemaker en de Bree nog niet wisten te vinden. Hendrik noemde de straatnaam, maar zelfs die zei ons nog niets. Toen tekende hij de weg op een stukje papier.

"Mossengaas zei u?" vroeg mijn oudste.

"Mossengaas," zei Hendrik kalm, „een stukkie van vijftig bij tachtig. Vraag het geld maar aan je moeder," en hij ging weer naar zijn timmerwerk.

"Hoeveel zou ik nodig hebben?" vroeg mijn jongen.

Ik had er geen idee van, ik gaf hem een tientje mee en daarmee stond hij even later bij Schuytemaker en de Bree voor schut, want een stukje mossengaas (mijn zoon bekende later, dat hij "mussengaas" had gezegd) bleek slechts enkele dubbeltjes te kosten.

Zo was de band met de ijzerwinkel van Schuytemaker en de Bree meteen gelegd. Het was de eerste winkel die wij wisten te vinden. Het was de eerste winkel waar we verlegen mee waren geweest.

We zouden het blijven. Toen we zelf een stoel bekleedden, hadden we kleine koperen spijkertjes nodig. Ik zat op de grond temidden van de rommel en mijn man opperde: "Had je het niet beter door de stoffeerder kunnen laten doen? Kan ik je helpen?"

"Nee. Ja !" zei ik. "Je kunt voor mij naar Schuytemaker en de Bree gaan en koperen spijkertjes halen. Hele kleine."

"Hoe klein?" vroeg mijn man.

"Zo klein," zei ik en ik wees zoiets van een halve centimeter aan. „Zeg maar, de kleinste die ze hebben."

En mijn man ging weg om spijkertjes. "Het zijn niet de allerkleinste," deelde hij mee toen hij terugkwam, "ze hebben nog twee soorten kleiner." Ik maakte het zakje open en ik zag hele kleine spijkertjes, snoezig, ik wist niet dat er zulke pieperkleine bestonden. Ik probeerde ze, maar ze rolden uit mijn vingers.

"Verdraaid," zei ik, "je zou die dingen met een pincet vast moeten houden." "Ja," zei mijn man, "dat zeiDen ze ook bij SchuytemaKer en de Bree, maar jij had zo gezegd dat je de allerkleinste wou..."

"Ach," zei ik ongelukkig, "die wilde ik niet natuurlijk. Waarom ben jij ook geen man met een technische knobbel?"

"Nee," bekende hij, "technisch ben ik niet. Maar ik ben graag bereid om je spijkers te gaan ruilen", en hij deed het!

"Wat zeiden ze in de winkel?" vroeg ik, terwijl ik met de juiste maat spijkers de stoelbekleding prachtig op zijn plaats kreeg.

"Ze zeiden, dat ze het wel gedacht hadden", deelde mijn man mee.

"Hielp die lange vent jou, of die oude?" vroeg ik.

"Die lange," zei mijn man. En ja, het is zo, die weet alles altijd beter.

Nu waren dit nog de onschuldigste boodschappen, die door de mannen uit ons huis werden gedaan. Als wij, vrouwen, ons bij Schuytemaker en de Bree vertonen, gaat er een soort deining door de zaak. Ze schijnen er zelden met vrouwen te maken te hebben, en waarschijnlijk vinden ze ons bovendien heel vreemd. Niet van uiterlijk, we zijn echt met te onderscheiden van andere boodschappende moeders en dochters, maar om wat we nodig hebben. "Een stanley-mes," zei kleine Constance, die dit gereedschap op de kunstakademie nodig heeft. Dat bleek iets heel gewoons. Maar nu zag Constance kettinkjes hangen met haken. "Geef me er zo'n ketting aan," vroeg ze en ze wees naar het karton waar de begeerde artikelen op bevestigd waren.

"Die zijn voor sleutels," zei de lange bediende.

"Maar ik wil er graag een aan mijn mes," zei Constance, "ze gappen bij ons schandalig, niet expres natuurlijk, maar als ik een mes aan een ketting heb, ben ik veilig." De lange bediende zette met een laatdunkend gezicht de ketting aan het stanley-mes. Op zijn gelaat was duidelijk te lezen, dat hij de omgeving van mijn dochter zeer misprees.

" Had u verder nog iets?" vroeg hij op een toon die duidelijk zei "voor vandaag is het nu wel genoeg dunkt mij". De lange bediende scheen te hunkeren naar een konferentie met een man op klompen in een manchester pak, die juist binnen was gekomen en die door de baas in eigen persoon als een oude vriend was begroet met: "Ha die Adriaan". En zij waren zeer deskundig bezig over een stuk gereedschap dat ik absoluut niet thuis kon brengen.

"Ja..." zei Constance aarzelend, "ik had zo graag wat gaas... zo-maar allerlei kleine stukken verschillend gaas, want ik moet iets maken, een vrije vormgeving ik had graag verschillende stukken gaas, grof en fijn."

"Hoeveel van elk?" vroeg de man achter de toonbank, en er klonk enige wanhoop in zijn stem.

"Geeft niet," zei Constance vriendelijk, „echt niet. Stukjes die u over hebt of zo, staaltjes, zo van twintig bij twintig of groter."

"Vierkant dus?"

"O nee, zo-maar stukken, ze hoeven niet mooi te zijn, echt niet," zei Constance. Waarop de bediende verdween en terugkeerde met een jongere knecht. Een knecht met vriendelijke bruine ogen en een blozend gezicht.

"Hij kan dat wel halen," zei de lange, "vertel het nou nog maar eens." Waarop Constance haar wens herhaalde en de lange in een hoekje over de toonbank ging hangen en ons broeierig bleef bekijken, tot hij zich vermande en de baas en Adriaan ging bijstaan in de diskussie over het gereedschap dat op de toonbank lag.

"Nou, maar ik heb prachtig gaas," zei Constance, op weg naar huis, zeulend met een geweldig pak en bruin papier. "Niemand heeft zoveel als ik. En het was goedkoop, vond je niet?" vroeg ze. "Maar," zo besloot zij, "ik durf er nou helemaal nooit meer in. Ik durf eigenlijk al niet alleen, maar nu ook niet meer met jou. Ze vinden ons gewoon gek, Mammie."

"Rustig laten vinden," zei ik. Wat niet wegneemt, dat ik enige tijd later mijn hart in mijn keel hoorde bonzen, toen ik ijzerdraad ging kopen.

"Ik had graag wat ijzerdraad," zei ik onbestemd, toen het mijn beurt was, "Niet te dik, ik moet het met zo'n gewoon tangetje door kunnen knijpen..."

"Waarvoor is het?" vroeg de baas zelf.

"Ik maak een adventskroon," deelde ik mee, "sparregroen om een ijzeren hoepeltje en dan kaarsenknijpers erop en zo. En ik maak het vast met rood lint."

"Hoe groot?" vroeg de baas.

Ik wees. "Maar als ik dunner ijzerdraad neem en dat vind ik gemakkelijker," bekende ik, "dan kan het best een paar keer door elkaar gevlochten worden. Ja, geeft u mij maar ongeveer twee en een halve meter dun ijzerdraad..." Daarop werd het jongetje van de vorige keer naar 't magazijn gezonden aan de overkant van de straat.

"Wat moet je gaan halen?" vroeg de lange, toen het jongetje de winkel verliet.

"Twee en een halve meter ijzerdraad," zei de jongste bediende. Waarop de lange mij een blik toewierp, die ik moedig weerstond.

"En geef mij ook maar een schroevendraaier," zei ik. Ik dacht: schroevendraaiers zijn we immers altijd kwijt en dan vinden ze me tenminste een kliffit, niet alleen een mevrouw die komt zaniken.

Maar toen we bezig waren aan een plakboek en de hoeveelheid aan vakantieherinneringen, foto's, ansichtkaarten, plattegrondjes en knipsels, teveel bleek voor een normale dikte van plakboek, bedacht ik, dat 't mogelijk was de inhoud van twee te kombineren in een kaft. "En ga jij dan eens," zo zei ik tegen Noortje, "met die spiraal naar Schuytemaker en de Bree en vraag eens, of ze een dubbelformaat hebben...

"Je kunt het ook bij de papiergroothandel vragen," mengde Constance zich in het gesprek, "de papiergroothandel is ook verrukkelijk, Mams. Die hebben de onwaarschijnlijkste dingen..." Ik wist het, ik had er onlangs ballonnen gekocht voor de verjaardag van de Benjamin.

"En als zij het niet hebben?" vroeg Noor, die graag op alles verdacht is, als ze dergelijke opdrachten krijgt.

"Dan neem je ijzerdraad," zei ik listig, van de dikte van die oude spiraal. Dan maken we er zelf een. Doodgewoon."

Nu is Noor een buitengewoon behulpzame dochter, maar dit keer fietste zij toch een beetje mistroostig weg. "Ik probeer het eerst maar bij die papier-dinges," riep ze nog achterom, want ik had haar, moed insprekend naar de voordeur begeleid.

Maar Noortje kwam terug met een bundeltje ijzerdraad van Schuytemaker en de Bree en de boodschap dat het me stellig niet zou lukken.

"En ik zei, dat ik niet zou weten waarom niet," zei Noor. Achteraf had ik niet de moed om met ons vakantie plakboek naar de winkel te gaan om het te vertonen. Want Noortje had gelijk gehad. Wij hadden een spiraal gemaakt om de bezemsteel en zelfs nog een stukje ijzerdraad overgehouden.

"Bewaren voor Kerstmis," had Noor gezegd, "dan hoeven wij er tenminste niet weer heen..."

Helaas, voor kerst stond ik weer bij Schuytemaker en de Bree voor de toonbank. Ditmaal hadden we echt geprobeerd een bezoek aan deze winkel, die ons zo deprimeert, te ontlopen. Constance had thuis verteld, dat ze nu op school een "ruimtelijk iets" moesten maken, en ze had zich voorgesteld dat te doen met behulp van prikkeldraad en tule. "En ik weet vlak bij school een ijzerwinkel," deelde ze mee, "daar zal ik twee meter prikkeldraad kopen." Helaas, de winkel verkocht het prikkeldraad slechts per honderdtachtig meter, en Constance had geweigerd dit af te nemen. "Vreselijk, het idee alleen al, een huis vol prikkeldraad!" zei ze. En hoeveel honderdtachtig meter is, dat merkte ik bij Schuytemaker en de Bree toen de jonge bediende (die er nu ook alweer een paar jaar werkt) bereid bleek, mij twee meter te verkopen. Natuurlijk, hij moest voor dat prikkeldraad weer naar de overkant en door de regen, zodat ik me een beetje schuldig voelde. Gelukkig waren er niet A1 te veel klanten. Veel klanten zijn er bij Schuytemaker en de Bree altijd. De jongeman keerde terug met een houten schap waarop het prikkeldraad gewikkeld was en iedereen week al achteruit. Een vaste klant bood aan met het afrollen te helpen, maar "Joop," zoals de jongen bleek te heten, dacht dat hij het zelf wel klaren kon. Hij zette het uiteind van het draad vast in een klem aan de toonbank en hij begon het prikkeldraad af te rollen. Iedereen keek en iedereen gaf kommentaar.

"Pas op je kleren!" De baas kwam uit het kantoortje met de glazen deur en vroeg: "Wat is hier aan de hand?"

En iedereen wees naar mij, en ze zeiden: "De dame moet prikkeldraad." De baas bekeek me argwanend.

"Twee meter maar," zei ik gauw, "het mag zelfs wel een beetje minder, het doet er niet toe..." Maar daarmee had ik de ontluikende goodwill meteen gesmoord. Iemand die twee meter prikkeldraad wil hebben, dat is iemand. Die heeft een hekje of een muurtje of zo van ongeveer twee meter breed. Maar een mevrouw die "een stukje-het-doet-er-niet-toe-hoe-lang" wil, is min of meer gek. Ik voelde dat en nam me voor daaraan in het vervolg te denken. Natuurlijk moest iedere klant net iets hebben wat in het kamertje achter Joop met de schap vol prikkeldraad geborgen was en verwijtend stapte men dan over de versperring. Het leek, alsof de hele winkel prikte. De baas begon mee te helpen. Joop moest een tang halen en hij had de verkeerde te pakken, het moest een speciale wezen voor dit doel, een soort vierkante, enorme wildschaar.

"En ga jij nou maar door, ik rol dit wel op," zei de baas. Ik stond duizend angsten uit, dat hij zich bezeren zou, maar het ging goed. De rol werd weer aan Joop ter hand gesteld. En jij pakt het in voor mevrouw, ribkarton d'r om, er is genoeg in 't magazijn..." Het werd een geweldig pak, en ondanks al het karton en Joops goedbedoelde pogingen, bleef het prikken. Dus bood Joop aan, het onder mijn snelbinders op de fiets te bevestigen. Zestig cent kostte mij dat prikkeldraad. Het is dertig cent per meter. Ik had het precies gepast.

En kijk, dat viel ze bij Schuytemaker en de Bree nu van mij mee.

CONSTANCE HAZELAGER