Bewaren (1959)

Onlangs sprak ik een vrouw, die resoluut zei: "Ik ben blij, dat ik in mijn huis geen kasten heb. In elk geval haast geen. Ik bewaar nu lekker niets."

Ik was zo jaloers, dat ik helemaal vergat haar schaaknat te zetten met een opmerking, die er beslist had mogen zijn. Haar man is namelijk antiquair. En ik vermoed, dat er van zijn beroep niet veel terecht zou komen, als alle vrouwen dachten als de zijne. Helaas, ik heb het niet gezegd, al geeft het mij beslist satisfaktie het hier neer te schrijven (als ze het niet leest, hindert het niet, en leest zij het wel, dan zal ze vast niet boos op mij zijn, daarvoor is zij ook geestelijk veel te "opgeruimd").

Nu geloof ik van mijzelf altijd, dat ik van alles wonderwel afstand kan doen, en ik bewaar lang niet zoveel als sommige familieleden. Ik bewaar geen oude tijdschriften en kranten, geen verduisteringsgordijnen met scheuren en geen kleren, die niemand ooit meer dragen zal. Behalve dan... nou ja, die ene doos vol. Nachtponnetjes, die mijn broers en ik hebben gedragen, de jurk van mijn verlovingsreceptie, de eerste schoenen van je kinderen.

Desondanks staat mijn zolder vol. Toen ik mijn aanstaande huis destijds bezichtigde, terwij1 het nog bewoond was, viel me de enorme lege zolder op. Er stond slechts een teil tegen een lekkage, een oude markies van de serre en een glas-in-loodraam, dat reeds jaren door een andere ruit was vervangen. Verder stonden er een paar kartonnen schutten uit de jaren 40-45, die voor de ramen pasten in de gangen, en er stond een box die de huisvrouw mij trachtte over te doen. Dat lukte niet. Ondanks het feit, dat ik geen boxkind meer had, bezat ik twee looprekken, een geërfd uit mijn ouderlijk huis, een van onszelf, zodat zelfs als we ons een tweeling zouden verschaffen, genoeg zouden hebben.

Maar ik bleek, toen mijn meubelen kwamen, niet alleen twee boxen te hebben, maar ook twee kinderstoelen, twee wiegen, vier hoge stoelen voor aan tafel (het heerlijke meubel dat na de kinderstoel komt). En van geen van deze meubelen zag ik kan: afstand te doen. Ze hadden alle hun eigen geschiedenis. Dus zette ik a11es op zolder, maar de glas in lood ruit liet ik weghalen, en de kartonnen met de vochtkringen en de verteerde markies ook.

Wat ik verder op de zolder bewaar, kan ik bijna allemaal in de met ijzer beslagen hutkoffers stoppen. Oude gordijnen uit vroegere huizen, extra dekens voor winterse kou.

Ik bezit echter niet alleen die zolder, ik heb ook muurkasten. Massa's. Kasten, die vroeger veelal leeg waren, want dat heb ik zelf gezien, toen de vorige bewoonster ze vriendelijk opende, om mij te laten zien hoeveel bergruimte ik wel zou hebben Er waren kasten, waarin een mens erger je niet en een doos kleurpotloden lagen, terwijl een net met ballen aan de deur was opgehangen. Mijn kasten liggen vol, en de secretaire in de zitkamer heeft eigenlijk nog geen laden genoeg voor alles wat ik wil bewaren.

Hoe kun je de brieven van grootouders wegdoen, van je ouders uit hun verlovingstijd, en die van jezelf! Dozen, mappen, ordners vol brieven. Poëziealbums uit 1890, waaruit de eigen kinderen nu weer stof putten voor de albums van vriendinnen. Zij hoeven alleen het "u" en het te veranderen in "jij". Dat is het enige verschil tussen het poëzie album van 70 jaar 7eleden en dat van nu. Behalve dan, dat de plaatjes vroeger mooier waren, en dat de gedroogde boeketjes en tekeningetjes soms wat weemoedig aandoen.

Wat ben ik dankbaar voor al die brieven, waarin ik, soms eens even lees. Wat is het heerlijk, dat je ouders en een tante zoveel bewaarden! Alle paperassen uit tantes nalatenschap werden mij overgelaten. Niemand had de moed er aan te beginnen. En ettelijke familieleden schreven me: "Wij zullen nooit zoveel bewaren als zij gedaan heeft". Maar ik vond in de dozen de eerste brief van mijn grootmoeder aan mijn grootvader, van meer dan 80 jaar geleden, ik vond krantenknipsels en gedichten bij feestelijke gelegenheden, die nergens meer bewaard waren, en ik maakte mappen voor diverse familieleden met allerlei aardige en interessante dingen, terwijl ik het grootste deel zelf wegborg in de laden van de secretaire.

Ik leerde mijzelf om weer eens netjes boek te houden, in het laatste kasboekje dat door mijn grootvader tot de dag voor zijn heengaan was bijgehouden, en alleen onbelangrijke dingen gooide ik weg, en ook het dunne bundeltje brieven, met een lintje bijeengebonden, dat een kleine tragedie bevatte, die misschien wel groot was geweest in het leven van mijn tante.

Toen ik de eerste brief even had ingezien, verbrandde ik, ongelezen, de rest. Hier had niemand meer iets mee te maken... Ik deed al dat werk met een zekere animo, ik genoot van veel wat tevoorschijn kwam, waarvan ik wist: dit gooi ik ook nooit van mijn leven meer weg! Voor sommige dingen had ik echter geen greintje gevoel. Dat was voor de vele, volumineuze diploma's die mijn tante had verworven. En juist toen ik er een met zo'n gezellige roetsj in vieren scheurde, betrad een familielid van mij het terrein van mijn operaties.

Hij keek naar de keurige stapeltjes op tafel, naar de brieven en portretjes. En hij viste met een kreet van afschuw het diploma uit de prullenmand. "Hoe kun je, snauwde hij tegen mij, hoe kun, je zoiets weggooien?" Verontwaardigd liet hij me even later weer alleen. Ik peinsde even: had ik nu toch de verkeerde dingen bewaard? Al had tante veel diploma's, één la van de secretaire zou genoeg wezen om ze te bewaren.

Toen, eigenwijs, diepte ik het volgende diploma, iets voor nuttige handwerken of zo, op. Ik verscheurde het, en liet het in de prullenmand zakken. Maar het briefje van tante, toen ze nog, een meisje was van een jaar of 12, en een pijnlijke behandeling onderging in een ziekenhuis, dat bewaarde ik wel.

Wat bewaren wij? Wat bewaart u? Is uw zolder keurig en leeg? En wat staat er in de kasten? Bewaarde u de eerste brieven en tekeningen van uw kinderen, het eerste matje dat ze hebben gevlochten en de inktlap die met zoveel moeite (en tranen misschien!) werd gebreid?

Soms ruim ik eens radicaal op. Dan zet ik een massa oud speelgoed en half gebroken aardewerk klaar voor de eerste de beste lorrenman. Maar dan komen mijn kinderen. Zij vinden het paardje met drie poten, en het wordt in ere hersteld, en krijgt een plaats in hun kamer. Zij vinden een stroopkan, waar je een plant in kunt zetten, en tenslotte blijkt het, dat ik geen lorrenman meer hoef af te wachten. O, gelukkig zij, die woont in een huis met een zolder en met kasten. Zodat ze in het nieuwe jaar van oude jaren veel kan bewaren!

Dora van der Meiden-Coolsma