Constance Hazelager

BEN'S FEEST (1964)

Onze Benjamin, zo "GUNSTIG JARIG" waar het schoolgaan betreft - dit tenminste volgens lieden die het weten kunnen -, treft het tijdens de schooljaren toch niet met zijn verjaarpartijtje. Natuurlijk vieren wij in de vakantie zijn feest heel luisterrijk met een specialeit van de Zwitserse banketbakker: abrikozentaart, waarvoor de kaarsjes uit Nederland zijn mee genomen. Ook de geschenken zijn gewoonlijk al hier gekocht en worden ginds overhandigd. Maar wanneer je schoolgaat, dient er een "partij" te wezen voor de vriendjes. Zelf wordt Ben ook uitgenodigd, en enigszins ongerust vraagt hij zich af: "Hoe doen we het? Dadelijk na de vakantie?"

Op de laatste schooldag heeft hij getrakteerd. Toen hebben de klasgenoten al belangstellend informaties ingewonnen. Vaag heeft Ben beloofd: "Na de vakantie..." Maar al op de eerste schooldag deelt een vriendje gedrukte kaartjes rond met uitnodigingen voor de eerste de beste vrije middag. Ben berust: "Zal ik dan volgende week een partij geven?" Die week schikt mij minder goed, daarna is er weer iets anders. De allerbeste vriend is elke zaterdag weg zolang het mooie herfstweer duurt.
Tenslotte besluit ik: "Jij houdt je partij op je halve verjaardag, heel gewoon. Dat komt nog mooi uit ook, dat is een woensdag."

En zo tik ik, vijf dagen voor die heugelijke dag tweemaal zes doorslagen op de schrijfmachine. "Van twee tot vijf," zeg ik "dat lijkt me een prettige tijd. Als er kinderen zijn die de televisie willen zien, dan kunnen ze iets eerder weggaan."

Ben schrijft de namen boven de uitnodigingen, ondertekent ze (met de ballpoint die hij van de melkbrigade heeft gekregen) en plakt "toepasselijke" plakplaatjes op de uitnodigingen. "Dit is er een voor Erik ", zoekt hij uit, "van dat jongetje met die fluit. Want Erik heeft een blokfluit of hoe noem je zoiets. En deze ... zo'n hond hebben ze bij Jeroen. Die zal ik voor Jeroentje geven." Het wordt een heel werk op deze manier, maar ik heb niet het hart hem te onderbreken of te haasten, ook al is het bedtijd.

Tenslotte liggen de twaalf uitnodigingen klaar. Elf voor jongens en één voor een meisje. "Moet je niet nog een meisje vragen?" vraag ik Ben, "is het niet vervelend voor Joanneke, zo alleen?"
"O nee," zegt hij, "absoluut niet. Ze speelt altijd met jongens."

Joanneke's moeder reageert telefonisch. "Zo vreselijk gezellig voor haar," zegt zij, "om op een partijtje gevraagd te worden! Ze wordt haast nooit uitgenodigd, omdat ze nooit met meisjes speelt op school. Dus vragen de andere meisjes haar niet. En de moeders van de jongetjes denken gewoonlijk ook niet aan haar."
"O", zeg ik, "wij zouden Joanneke onmogelijk kunnen vergeten, al komt ze hier niet zo frequent. Maar ze is zo verschrikkelijk amusant. Ze zegt de grappigste dingen en ze leest me af en toe gewoon de les..."
"Heus?" vraagt Joanneke's moeder.
"Ja." zeg ik, "ze vond bijvoorbeeld dat Ben veel te gauw met een jas naar aan school ging.. 'U kleedt Bennie veel te warm' zei ze tegen me! En toen ze hier thuis alle beesten zag, veronderstelde ze meteen 'O Ben, jij moet zeker bioloog worden.' Zulke dingen vergeet je niet."
"Nee." zegt Joanneke's moeder geschokt, "ik hoop dat ze u niet hindert."
"Integendeel." antwoord ik, we zouden haar smartelijk missen a1s ze niet kwam."

"Ze komen allemaal," zegt Ben tevreden, twee dagen voor de partij.
"Mooi zo," zeg ik, vierkant tegen mijn geweten in, want ik voelde me ziek. Te ziek om inkopen te gaan doen en er moet toch zo veel wezen.
"Laat mij maar gaan," biedt Noor aan. die ook aktief meteen een vriendinnetje chartert om te helpen. Zelfs mijn man, nooit erg dol op "boodschappen doen" tijgt de stad in met een lijstje wat er voor de partij nodig is. Een fles limonade, rietjes, papieren bekers, een stuk of twintig ballonnen...
"Dertien is toch genoeg?" denkt hij, maar ik kan er hem van overtuigen dat ballonnen wel eens klappen. Verrukt komt hij thuis. "Leuke boodschappen we]" vindt hij en stalt alles voor me uit.
Prijsjes voor de wedstrijden: kleurpotloodjes, krijtjes, inktlappen, punteslijpers, prachtige potloden met verkeerstekens. En verder het meest onpedagogische snoep dat zich laat denken, zoals lollies en grote toffees.

Tweemaal schuif ik het bakblik in de oven vol cakejes in kleurige papiertjes. Met wat chocoladeglazuur worden het de beelderigste taartjes: een schaal cakejes met kaarsjes en een schaal met vlaggetjes. Die laatste waren in de papiergroothandel tegelijk met de ballonnen door mijn man aangeschaft en ik vermoed, dat ik er zelfs verjaarstaartjes voor mijn kleinkinderen mee zal kunnen versieren, zoveel zijn er. Nederlandse, Belgische, Franse, Engelse, Duitse, Zwitserse en Amerikaanse vlaggetjes. En als de beide schalen in de kelder staan, zeg ik: "Jongens, werkelijk, ik houd het niet vol. Ik moet naar bed." Daar lig ik dan, een dag voor de heugelijke "halve verjaardag" en ik voel me ziek en schuldig. Ik heb nog gezien hoe Noor en de vriendin de ballonnen met behulp van de fietspomp hebben opgeblazen en er de trap mee hebben versierd. Ik zeg tegen Ben, die me een ongerust nachtzoentje komt brengen: "Jouw partijtje gaat toch door, in elk geval."

Ik word wakker uit een vermoeiende nachtmerrie, die ik in mijn droom bovendien nog heel duidelijk en langzaam aan een lieve oude dove dame moet vertellen (en het is zo'n onzin en zo jammer van de moeite en ik ben zo moe), door een vraag van mijn man: "Welke dia's had je willen vertonen, zeg?"
"Even wachten..." zeg ik, "een moment ...Neem die van de Bremer straatmuzikanten, die zijn heel komisch. Als je het boekje even leest kun je het verhaaltje we] vertellen, dan is het leuker. En in datzelfde doosje zit nog een aardig verhaaltjes. Maar neem de gekleurde niet, dat is van het vrouwtje van Stavoren en dat verhaal hebben ze op school net gehad en Ben wil dat niet."
"Goed zo," zegt mijn man, "ik heb je toch niet wakker gemaakt hoop ik?"
"Gelukkig wel," zeg ik, "ik droomde helemaal niet leuk." Maar de droom gaat weer door als ik mijn ogen sluit en van opstaan is de volgende morgen geen sprake.

De voorbereidingen voor de partij vinden plaats zonder dat ik er aandeel aan heb. Alleen heeft Ben me gekonsulteerd over de kleding die hij zal dragen. Het moet beslist iets anders wezen dan 's morgens op school en de donkergroene blouse die hij als veel te kinderachtig heeft verworpen toen ik hem meebracht, blijkt nu favoriet te wezen. Ik begrijp: ze dragen nu allemaal iets dergelijks.

Ik schrik wakker uit een koortsdroom wanneer de partij arriveert. Twaalf jongetjes en een meisje, dat maakt verbazend veel lawaai. Het is, alsof het huis onder me wordt afgebroken en ik prijs mijn ballonnenbeleid, want af en toe klinkt er een verdachte knal en wordt één van de gasten tot de orde geroepen door een heel koor van stemmen. Later zal ik horen dat dit Robert was. In mijn bed hoor ik mijn man de spelletjes aankondigen en uitleggen. Het grapje "De maan is rond, hij heeft twee ogen, een neus en een mond," dat met de linkerhand in de lucht wordt voorgedaan, blijkt als haast steeds een succes. Het wordt tenminste nogal eens herhaald. Is er een linkshandig kind bij, dan wordt het grapje gewoonlijk gauw ontdekt, naar dat is nu blijkbaar niet het geval.

Noor speelt één van de twee wijsjes die ze kent op de piano, om er "stoelendans" mee te spelen. Als de uitgeputte gemoederen op de veroverde stoelen tenslotte bekomen, schijnt er getrakteerd te worden. De stemmen klateren tevreden en gelijkmatig. Dan komt het hele stel de trap op -wat weer ballonnen kost - om naar de dia's te gaan kijken.
"'t Gaat leuk," meldt Noortje even stralend om de slaapkamerdeur, "alleen vraag ik me af hoe Paps ze in toom moet houden... Je moet rekenen ze zijn allemaal haast t.v. gewend."
Ik stel gerust. "Vertellen is uit de mode," zeg ik, "dat is iets nieuws. Je zult we] merken..." Wij merken het. Een half uur lang is de verjaarpartij als van de aardbodem verdwenen. Ademloos wordt er geluisterd. En hoeveel de meesten er ook voor voelen om nog even door te gaan, het tweede verhaal meteen maar te laten volgen, mijn man jaagt de bende weer naar beneden. Er staan nog veel meer spelen op het programma: vingerhoed verstoppen, koekhappen, slofje-onder. Hoeveel lawaai er ook geweest schijnt te zijn, ik hoor het niet. Ik word pas weer wakker als mijn man voor mijn bed staat met de enige dame van de partij, die een zwart fluwelen petje van mijn oudste dochter op haar blonde hoofd draagt. Het staat haar om te gappen.
"Dag, mevrouw" zegt Joanneke en grijpt met haar koele vingertjes mijn koortshand: "Welgefeliciteerd met de halve verjaardag van Ben."
"Dank je," zeg ik "heb je wel plezier, lieverd, nu je het enige meisje bent?"
"O ja," verklaart ze, "geweldig veel zelfs. Alleen is het zielig voor u, dat u ziek bent. Ik kan me voorstellen dat iemand die zo'n partij heeft voorbereid voor al die kinderen er zelf eigenlijk net zoveel van genieten zal. En dat maakt u nu niet mee."
"Nee," beken ik, " het spijt me ook echt."
En ik kijk de eigenwijze jonge dochter nog vermaakt na, als ze me verlaat, na: "Beterschap hoor, en ik hoop maar dat er voor u niet teveel lawaai gemaakt wordt," te hebben gezegd. Ik kan me voorstellen, dat er moeders zijn, die Joanneke verwarrend vinden... Deze wijze woorden verwacht je niet in de mond van een meisje van acht.

Ik moet weer zijn ingedut. De hele partij behoort tot de verleden tijd als ik weer wakker word. Mijn man is alweer terug na de verste gasten per auto te hebben thuisgebracht. Iedereen is huiswaarts getogen met een ballon, een lollie, het vlaggetje van het cakeje en diverse prijsjes. "Ging het?" vraag ik Noor, die mijn kussen komt opschudden.
"Best," zegt Noor, "ik heb zelfs al wat opgeruimd beneden."

Voordat hij naar bed gaat, komt Ben naast mijn bed met een blad waarop hij de cadeaus heeft uitgestald. Een boek, dozen lego, Faller-huis autootjes, een boek waar je auto's uit kunt maken zonder schaar of lijm, een prachtige hijskraan. "Die is het mooiste," wijst hij, "maar die is ook van Jan Willem en Ronnie samen."

Als ik op wankele voeten weer beneden kom, is er van de partij weinig meer te bespeuren. Een paar repen die "over" zijn, liggen in de kast. Er staat een halve fles limonadestroop in de keuken, want Noor had een tweede fles bij moeten kopen. Het zwarte ribfluwelen petje van kleine Constance hangt rustig op de kapstok.

Maar de moeder van Jan Willem en Ronnie belt op en ze zegt: "De jongetjes zijn allebei in de wolken, zo prachtig kan de vader van Ben vertellen!"

"Drie uur is toch te lang," vindt mijn man, "volgend jaar moet je ze pas om half drie laten komen. Vooral met zo'n sujet als die Robert, weet je, waar je op letten moet..."
"Ik zal er aan denken een ander jaar," beloof ik. Dan loop ik naar de serre, waar ik opeens een rose bloem ontdek in één van mijn planten. Maar het is een stukje van een ballon.

Als Ben uit school komt, wappert hij met een briefje. Een eigengeschreven briefje van Hans Hendrik, waarop staat: "Ben, kom je zaterdag van 3 tot 5 op mijn verjaarpartijtje? Hans Hendrik." "Zie je," zegt Ben, "als je een partij geeft, wordt je ook weer gevraagd. Zal ik hem dat Faller-huisje geven dat ik driedubbel heb? Of zullen we iets nieuws kopen?"